Je bent niet ingelogd. Log in of registreer je

I'm just not so keen on living anymore

2 plaatsers

Ga naar beneden  Bericht [Pagina 1 van 1]

Nergüi

Nergüi




Mijn eerste herinnering is één aan eenzaamheid. Een gevoel waar ik elke dag weer mee wakker wordt. Mijn ogen, mij sprekende ogen, glijden over het landschap waar ik in sta. Het is anders dan het landschap waar ik in ben gaan slapen, maar dat was mij geen vreemd gegeven. Ik werd vaak ergens anders wakker, miste ik dagen van mijn leven. Ik was steeds minder om die verloren dagen gaan geven. Ik verachtte de dagen die ik me wel herinnerde. Ik keek opzij en zag plotseling twee hengsten staan. Twenters, misschien zelf al drie jaar oud. Ze keken me scherend aan, lachend. “Hee, mongooltje, ga je niet voor ons zingen?” sneerde de zwarte hengst, waarop de bruine hengst lachte. “Maar dan kan je niet, hè? Dan ga je maar voor ons dansen.” De hengsten begonnen naar me te slaan en te trappen, hun tanden klapten op centimeters afstand van mijn huid dicht. Ik danste. Ik sprong en ontweek, vocht tegen mijn tranen op een manier dat ik nooit tegen die hengsten zou kunnen vechten.

Plotseling werd ik overspoelt door een wit licht. De hengsten verdwenen en ik bleef hijgend staan. Ik voelde een druppel zweet langs mijn flank glijden terwijl ik opkeek. Daar, op een heuvel, stond een oude, zwarte hengst. “Ganzorig!” riep ik uit. Toen verscheen er een tweede gestalte. Een gestippelde merrie wiens omtrekken vaag bleven. Ik wist dat ik me de kleur van haar ogen nooit meer zou herinneren. “Mama,” zei ik zacht. “Mama, Ganzorig!” schreeuwde ik, terwijl ik mijn lange, onhandige benen naar voren dwong. Ik rende de heuvel op, maar hoe harder ik rende, hoe hoger de heuvel werd. Ik rende tien minuten, een uur, een dag. De uitputting overviel me, maar mijn moeder en pleegvader wachtten nog altijd op me. Ik struikelde, mijn schouder kwam hard in contact met de grond. Ik rolde vele meters de heuvel af voordat ik mezelf tegen kon houden. De tranen brandden in mijn ogen. Ik keek op, mijn moeder schudde haar hoofd en draaide zich om. Ganzorig keek me lang aan, ik zag de teleurstelling in mijn ogen. Ook hij draaide zich om. “Nee, wacht, neem me mee!” kraaide ik wanhopig, terwijl ik mijn benen onder me probeerde te krijgen. Mijn schouder begaf het vrijwel direct weer en ik klapte op de grond. Ik proefde bloed, ik hand op mijn tong gebeten.

Het licht was verdwenen, net als de enige twee paarden die ooit om mij hadden gegeven. Mijn hele lichaam begon te schokken, terwijl de zilte tranen over mijn wangen rolde. Ik was weer alleen. Elke avond kwamen ze, maar nooit namen ze me mee. Waarom namen ze me niet mee? Deze wereld was enkel wreed tegen mij, de wereld en alle wezens die erin leefden. Waarom lieten ze me telkens weer alleen?


Nergüi schrok wakker. Haar wangen waren nat en plakkerig. De merrie slikte en merkte dat haar keel kurkdroog was. Ze zuchtte en legde haar hoofd weer op de grond. Weer dezelfde droom. Haar rottige leventje en de belofte van een beter leven na de dood. Ze wist dat Ganzorig en haar moeder teleurgesteld in haar waren. Dat ze nog altijd de moed niet had gevonden om zich bij hun te voegen. Ze zochten haar elke avond op, maar elke keer weer was het nog niet haar tijd. Elk ander zou misschien de moed en de kracht hebben gehad om er zelf een einde aan te maken, maar niet zij. Zelfs al zou ze aan de rand van een ravijn gaan staan, ze zou de sprong nooit durven wagen. Nergüi krulde zich op, terwijl een gevoel van walging en verraad zich over haar heen stortte. Ze was zwak, nutteloos, een lafaard. Ze verachtte zichzelf, maar nog durfde ze er niks aan te doen. Nergüi zuchtte. Blijkbaar moest ze dan maar gewoon wachten op de dag dat één van de paarden die haar zo vaak pestten een keer goed raak trapte. De volgende keer zou ze niet dansen.

Ondanks haar jonge leeftijd kwam ze stijf overeind. Ze schudde zich uit, maar desondanks bleef er aarde en bladeren aan haar vacht en manen kleven. De Appaloosa zette zich in beweging, haar stappen waren sloom en futloos. Nergüi had geen haast. De merrie had nooit haast. Waarvoor? Ze had geen doel, geen bestemming. Ze leefde enkel omdat ze nog niet dood was. Haar brokkelende hoeven duidden haar slechte conditie en constante watergebrek aan. Nergüi dronk nooit genoeg en at vrijwel niks. Ze gunde het zichzelf niet. Dat gevoel van een gezond lichaam dan vol energie zat. Waarom zou ze de moeite nemen haar lichaam te onderhouden als ze toch alleen maar wachtte op het moment dat het dood neer zou vallen? Bovendien zouden andere haar zo alleen maar een aantrekkelijkere prooi vinden. Uit ervaring wist ze dat er genoeg paarden waren die wel eens zin hadden in een zinloos potje jaarling trappen. Gewoon, omdat het kon. Omdat zij sterk en gezond waren en Nergüi een scharminkel dat amper haar eigen schamele gewicht kon dragen.

Het geluid van stromend water bereikte haar oren. Ze hoorde aan het snelstromende water dat tegen de stenen in het water en de oever aan klotste dat het geen rustig beekje was. De jonge merrie stapte tussen de bomen vandaan en zag dat ze bij een brede, enigszins wilde rivier was aangekomen. Nergüi wist noch waar precies in DH ze zich bevond, noch hoe ze hier in hemelsnaam was gekomen. Het half jaar na Ganzorigs dood was een aaneenschakeling van wazige herinneringen geworden, regelmatig onderbroken door zwarte gaten. Nergüi schudde even haar kop, waarbij haar korte, waardeloze maantjes heen en weer flapten. Langzaam stapte ze naar de waterkant en liet haar hals nog wat verder zakken. Ze had haar hoofd vrijwel altijd laag hangen. Haar lippen raakten het ijskoude, stromende water. Het dronk lastig en het was heerlijk onplezierig. Het ijskoude water was een marteling voor haar tanden en keel, wat deze levensonderhoudende daad weer enigszins acceptabel maakte. Nergüi dronk maar enkele slokken en hief toen haar hoofd een centimeter of twintig. Ze staarde naar het water. Met haar rechteroog zag de het naar zich toe stromen, een heldere vloeistof dat zich langs de rotsen stortte, en met haar linker oog zag ze het water zich een weg banen naar beneden. De jaarling slaakte een zucht en staarde naar het dode punt recht voor zich. Wat kon het haar verdommen of er een wolf in de bosjes lag die ze nu niet zo zien? Het kon maar beter snel gebeuren..

OOC: Nar! Komt u maar!

http://ccdragon-93.deviantart.com/

Nar

Nar
Moderator

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------




























  • Nar liep verder, briesend en wel langs de rivier. Winter is comming. Het kwam eraan. Een donkere tijd zo Dream Horses tegemoet komen en in zijn ondergang mee naar het duister sleuren. Nars mondhoeken krulden iets om: Welnu, als zij niet "lang en gelukkig" zou kunnen leven, zou niemand dat. Niemand. De winter zou komen en de zwakkelingen genadeloos slaan met alle kracht die het in zich had. Genadeloos. Hard. Bot.
    De rivier stroomde langzaam langs Nar heen, sluimerend, bijna onhoorbaar. Het mocht dan nu nog Zomer zijn, de Winter kwam. Ze hadden nu zo lang in een goede zomer geleefd. Winter is comming. Een bittere, maar ware spreuk: Nooit kon een Zomer voor eeuwig voortduren.
    De winter die ze vorig jaar hadden gehad, waren koud geweest, maar niet kil. Wit van de sneeuw, maar de lucht was niet vervuld met de lucht van doden waarvan het leven uit hun lijf geslagen was door de winter.
    Nar brieste en liep verder.

    Hear me roar! Nar bromde. Ze zouden haar horen, vroeg of laat. Ze zouden haar niet kunnen ontwijken wanneer zij losbrak. Roar. Ze zouden Nar horen, horen wanneer zij hen afbrandde, wanneer zij hen vernietigde met één enkele blik. Roar.
    Nar liep verder, nam een slok van het water en schudde haar kop zo dat haar schedel rond haar kop rinkelde. Roar.
    Nar bewoog verder, onoplettend, niets vermoedend. Wat zou haar gebeuren? Nar had een muur gelijk aan de muren van Troje om zich heen gebouwd aan mentale verdediging. Tevens had ze ook geleerd haar mond te houden wanneer dat nodig was, maar tot dusver was dat bijna nooit nodig geweest. Of beter gezegd: Niet nodig geweest in de ogen van Nar.
    De kleine zwarte merrie likte langs haar mondhoeken toen een druppel water langs haar mondhoeken rolde. Zou het zo koud kunnen worden dat het bevroor, waar zij bestond? Nar snoof. Winter is comming.
    De zon scheen een tikkeltje waterig tussen de boombladerdakken door en maakte zo speelse figuren op Nars roetzwarte vacht, die er gehavend en bijna mishandeld uitzag. Ze zwiepte met haar staart toen een vlieg dichterbij kwam, zwiepte agressiever toen ze een mug hoorde zoemen en draaide haar kop met ontblote tanden toen ze de eerdere vlieg vanuit haar ooghoeken terug zag komen. Krengen dat het waren.
    Nar ademde scherper in door haar neus en liep weer verder door het bos heen dat langs de Rivier lag. Het water stroomde op dit punt gestaag door de glad gesleten geul heen in plaats van het gehaaste wat het eerder was geweest.

    Nar snoof toen een onbekende paardenlucht haar neus kwam verstoren. Getver. Weer een ander die hier rond liep. Nar hoopte in stilte dat dit er eentje was die wél wist hoe ze de muil kon houden, want dat was Nar op dit moment goud waard. De overige knollen hadden geen idee hoe ze iets zinnigs konden zeggen, dus hielden zich bij voorbaat al stil. In de loop der jaren had Nar dat ontzettend weten te waarderen.
    Toen ze het paard uiteindelijk zag vanuit de verte, keek ze er eerst wat vreemd tegenaan: Gevlekt. Gestippeld. Grappig. Nar vond het uiterlijk van de merrie er fascinerend uitzien.
    'Wie ben je?' vroeg ze nieuwsgierig aan het mormel dat hier stond te staan. Nar was oprecht geïnteresseerd in het antwoord van de merrie: De zwarte had immers zelden een gestippeld Pippi Langkous paard gezien.


    * Sowrie voor het lange wachten. Was het topic ei'k helemaal vergeten.


Nergüi

Nergüi





Nergüi bleef naar het dode punt voor zich staren totdat haar ogen pijn deden van het scheel kijken. Ze liet haar ogen terugrolen en knipperde met haar oogleden om wat vocht in haar ogen te krijgen. Ze voelde harde korreltjes in haar ooghoeken; slaap. Het deed haar denken aan een verhaal dat Ganzorig haar vaak had verteld. Over een klein mannetje dat dieren en mensen zand in de ogen strooide, zodat ze in slaap zouden vallen. Elke keer wanneer Nergüi wakker had gelegen had Ganzorig zich opgericht en haar gezegd; Het mannetje komt niet als je naar hem blijft zoeken. Dan hadden ze beiden gegrinnikt en had Nergüi haar ogen gesloten. Het was waar, wanneer je op de slaap bleef wachten zou het niet komen. Het overviel je op het moment dat je hem niet meer verwachte. De herinnering liet een steek door haar hard gaan, als een doorn die ze er nooit meer uit zou krijgen. Nergüi liet haar hoofd zakken en begon verwoed met haar hoofd tegen haar voorbeen te schuren om de korreltjes uit haar oog te krijgen. Ze wilde niet aan Ganzorig herinnerd worden. Alhoewel.. Dat wilde ze wel, maar elke keer als ze aan hem dacht was het gevoel van verlies zo groot dat ze dacht dat haar benen het zouden begeven. De merrie hield haar hoofd weer stil, haar snuit enkele centimeters van de grond verwijderd. Haar sprekende ogen staarden weer naar het woeste water.Ze wenste dat ze zich kon laten meevoeren door de eeuwige beweging van de rivier, dat het al haar zorgen weg zou spoelen. Maar dat deed het niet. Net als de dood lie het op zich wachten.

Een geluid bereikte haar lange, opzij hangende oren. Voordat ze er erg in had draaide haar oor zich naar de bron van het geluid. Het geluid van hoeven op de harde rivieroever. Het kwam haar kant op en ondanks het feit dat Nergüi zich voorhield dat het haar niet kon schelen wie eraan kwam speurde haar rechteroog toch de oever af. Haar oog vond een zwart paard, zeker 60 centimeter groter dan zij. Maar dat was niet alles. Het paard droeg een schedel op zijn hoofd, het witte bot weerspiegelde in haar zwarte ogen. Netgüi's ogen werden groot en ze draaide haar hoofd in de richting van het paard. Was dit hoe de Dood eruit zag? Een zwart paard uit de hel met de schedel van zijn mededier op zijn hoofd? Nergüi voelde een enorme opluchting over zich heen spoelen. Het was eindelijk haar tijd. De Dood kwam haar halen. Ze werd eindelijk bevrijdt uit haar lijden, bevrijdt uit deze wrede wereld.

Maar toen hoorde, rook en zag ze meerdere dingen die deze droom uiteen liet spatten. Ze rook de geur van het paard. Een normale geur, niet de geur van de Dood. Ze hoorde diens hartslag en hoefgetrappel. Ze zag hoe ontzettend normaal het paard eruit zag wanneer je de schedel buiten beschouwing liet. Dit was niet de Dood. Dit was een normaal paard. De opluchting maakte plaats voor enorme teleurstelling, totdat haar iets anders te binnen schoot. Normale paarden liepen niet rond met schedels op hun hoofd. Dit kon dan misschien wel een normaal paard zijn, maar alsnog een exemplaar dat haar misschien naar het hiernamaals zou helpen. Toen was het paard dicht genoeg genaderd om te zien dat het een merrie was. "Wie ben je?" vroeg het zwarte paard, haar toon was nieuwsgierig. Misschien was deze merrie niet zo slecht als ze eruit zag, helaas. Nergüi keek de merrie een tijdje zwijgend aan. "Nergüi," antwoordde ze toen met een rauwe stem. Ze had erg lang niet meer gepraat, het verbaasde haar dat haar stembanden nog mee wilden werken. Opnieuw worstelde Nergüi met haar vocabulaire, zoals ze zo vaak had gedaan. Maar nu om een andere reden. Vroeger had ze gewenst dat ze ook kon vragen hoe de ander heette, wat diegene hier deed en waar hij vandaan kwam. Nu wilde Nergüi heel iets anders. Ze zocht naar twee simpele woorden.
Dood me.

http://ccdragon-93.deviantart.com/

Nar

Nar
Moderator

Nar snoof kort, wierp de pony een hooghartige blik toe en wachtte - tegen wil en dank in - nog steeds enigszins nieuwsgierig op het antwoord van het gespikkelde, zwarte en witte mormel. Mormel was misschien wel de juiste benaming voor 'het', want tot dusver had Nar verdomd weinig op kunnen maken uit de woorden van de merrie.
Wat verbluft door de klank van de stem die absoluut niet bij de pony leek te passen, trok Nar haar wenkbrauwen omhoog.
'Pardon?' vroeg ze ongelovig, met een schaapachtige uitdrukking rond haar snuit. Was het brutaliteit of hoorde het bij het mokkel dat voor haar stond? Door de bittere manier van praten was Nar er bijna vanuit gegaan dat het een verwijt was in een wildvreemde taal.
'Jij ook "Nergüi" dan maar, niet? Wat het ook moge betekenen,' kaatste Nar terug. Was het normaal dat een pony zo op haar reageerde? En dan nog wel een pony die enkel buitenlands sprak. Het was soms zó verdomd oneerlijk: Kennelijk was zelfs buiten het o zo geweldige Dream Horses Nars naam compleet aan stukken gescheurd, vertrapt, verbrand en begraven. Fantastisch.
Nar snoof een keer en liet haar blik weer over de merrie gaan. Ik nergüi, jij nergüiet, we nergüieten? Nee, dat was zelfs voor de vreemde pony vreemd. Wildvreemd. Misschien zelfs wel raar. Nou kon Nar niet ontkennen dat zij wellicht ook niet tot de normale bevolking hoorde. Zeg nou zelf: Ooit een pony met zo'n botte kop gezien dat het wel een schedel van een ander moest zijn?
De pony leek niet van plan zich verder voor te stellen. Nar ademde scherper in dan de bedoeling was geweest.
'Ik heb geen idee of je me verstaat, buitenlandse knol, maar,' Nar pauzeerde kort en dacht even na hoe het 't beste kon brengen. Met buitenlanders wist je immers nooit waar je aan toe was.
'Ik nerguï Nar,' zei ze, 'mocht je me ooit nog tegenkomen, onthou dat ik NAR ben: ik nerguï Nar.'
Tevreden over haar eigen bedachte uitleg in een wildvreemde taal wendde ze zich weer naar de pony.
'En hoe nerguï jij?' vroeg ze vervolgens, met een zweem van arrogantie in zowel haar stem als houding. Er vanuit gaande dat "nerguï" heten betekende, kon het niet anders dan dat de pony donders goed wist waar Nar op doelde. De kleine zwarte pony was dan ook verbaasd toen de andere kleine pony echter naar woorden leek te zoeken. Huh?
Schiet mij maar lek, maar ik begrijp niets van die nieuwelingen die hier rondzwerven, dacht ze in stilte terwijl ze, achterdochtig, de pony met priemende blik aanstaarde. Verdacht. Uiterst verdacht. Onbewust spande Nar de weinige spieren aan die ze bezat: Je wist maar nooit met die lui, ze waren zo onbetrouwbaar als de pest.

Nergüi

Nergüi





De stem van de zwarte merrie onderbrak haar zoektocht naar woorden. “Pardon?” Enigszins verbaasd keek Nergüi op en zag de uitdrukking van de merrie. Great, ze was beledigd. Nergüi scheen veel paarden onbedoeld te beledigen. Waarom was het spreken met weinig woorden eigenlijk zo onbeleefd? Ze deed er niemand kwaad mee. “Jij ook "Nergüi" dan maar, niet? Wat het ook moge betekenen,” snauwde het paard haar toe. Nergüi keek de merrie wezenloos aan. Wat? Had de merrie soms niet door dat ze haar naam had verteld? Dat zou eigenlijk behoorlijk dom zijn, ze vroeg immers ‘wie ben je’. Nou, Nergüi dus. De merrie ademde scherp in, dus richtte Nergüi haar ogen en haar aandacht weer op het paard tegenover haar. De appaloosa had haar hoofd ter hoogte van haar borst hangen, waardoor ze op moest kijken naar de zwarte merrie die toch zeker zo’n 60 centimeter groter was dan zij. “Ik heb geen idee of je me verstaat, buitenlandse knol, maar.” De merrie pauzeerde en Nergüi bleef de merrie wezenloos aanstaren. Buitenlandse knol? Ze had het woord nog niet vaak gehoord, maar ze wist dat ‘buitenlands’ betekende dat je ergens anders vandaan kwam en vaak ook een andere taal sprak. Ganzorig was buitenlands geweest. De zwarte hengst kwam oorspronkelijk uit Mongolië en had haar ook haar naam gegeven. Dus ergens was de verwarring van de zwarte merrie wel begrijpelijk. Nergüi betekende nu eenmaal ‘geen naam’ in het Mongools. “Ik nerguï Nar,” vervolgde de merrie. Nergüi’s uitdrukking veranderde langzaam van wezenloos naar verbaasd. Nee, zij was Nergüi. “Mocht je me ooit nog tegenkomen, onthoud dat ik NAR ben: ik nerguï Nar.”

Okee, deze vreemde, zwarte merrie met haar witte schedel heette dus Nar, voelde zich duidelijk verheven boven haar en dacht dat ze één of andere achterlijke buitenlander was. Al deze aannames, deze vooroordelen, deed een nieuw gevoel bij haar ontwaken. Eigenlijk was het niet nieuw, woede had ze al zo vaak gevoeld, maar dat was altijd naar zichzelf gericht geweest. Nee, nu was ze boos op deze merrie. Deze Nar. Nergüi dwong haar hoofd wat omhoog, waardoor haar neus nu ter hoogte van haar schoft zat. “En hoe nerguï jij?” gooide Nar er nog achteraan. Nergüi kneep haar ogen een beetje samen. “Nee,” begon ze met overslaande stem, maar op boze toon. “Ik Nergüi. Ik niet praten!” zei ze boos en gefrustreerd, terwijl ze met haar hoef op de grond stampte. Ze deed haar mond open om meer te zeggen, maar haar stem stokte. Haar vocabulaire liet haar in de steek. Waarom?! Waarom kon ze niet praten als elk ander? Haar boosheid verliet haar net zo snel als het gekomen was. Een intens verdriet overviel haar. Het verdriet over haar moeder, over Ganzorig, over zichzelf en haar situatie. De merrie liet haar hoofd weer zakken, haar neus hing nu ter hoogte van haar knieën. Haar blik ging weer naar het kolkende, ijskoude water van de rivier. Kon ze maar verdwijnen, samen met het heldere water door het land spoelen en alle zorgen achter zich laten. Was ze maar dood.

OOC: Hoop dat je er wat mee kan!



Laatst aangepast door Nergüi op di 20 nov - 9:22; in totaal 1 keer bewerkt

http://ccdragon-93.deviantart.com/

Nar

Nar
Moderator

Nar zoog een teug lucht tussen haar gele tanden door, wierp een zelfgenoegzame blik op de gevlekte merrie vallen. Normaal had Nar haar oordeel al snel klaar, maar het had haar enige moeite gekost de merrie te doorgronden. Overigens wist ze nu nog niet wat het karakter van het mokkel voor haar was. De schedelmerrie had zelfs overwogen degene voor haar voor 'mongoloïde' uit te maken, maar toen Nar haar blik over de pluizige oren, de fijngevormde neus en de toch enigszins pientere, intelligente helderheid die uit de ogen van de merrie straalde, slikte Nar haar woorden weer weg. Echter zorgde dat er niet voor dat Nar ineens besloten had de merrie te accepteren, integendeel. De zwarte merrie had voor zichzelf besloten een hekel te hebben aan het geval tegenover haar doordat het zich kennelijk boven haar stelde. Nutteloos wicht.
Toen de merrie haar weer gefrustreerd aankeek, trok Nar slechts een wenkbrauw op. Wat nou? Inhouden, merrie!
Dominant zette Nar een stap dichterbij om nog eens duidelijk te maken dat ze beslist niet van de hele gestippelde verschijning onder de indruk was. Kort overwoog Nar haar oren plat achterover te drukken, maar direct verwierp ze dat plan: Horen was een belangrijk zintuig. Dus daarom snoof ze, met een zweem van arrogantie en een flair van zelfingenomen zelfingenomenheid. Had je wat?

Nar liet de merrie uitpraten, maar reageerde eigenlijk alleen maar op het eerste woord wat het mokkel had uitgesproken, puur omdat ze verbluft was door het lef van het geval: Ze had het verdikkeme tegen Nar!
'Nee? Zei je nou net 'nee' tegen mij? Wat voor een achterlijk schaap ben je?' Nar blies dodelijk - gespeeld - vermoeid uit en richtte een koele blik op de merrie. 'Hoor 'ns: Ik ben slim, maar ik begrijp geen buitenlands. Nu niet, nooit niet. Ik wil het ook niet leren.' Nar zette nog een stap dichter bij de merrie en blies laagdunkend in het gezicht van de merrie. Ze had het tegen Nar, dé Nar, niet een Nar. Ook al had Nar aardig wat gezichtsverlies geleden door het feit dat ze haar kudde was kwijtgeraakt: Ze liet het niet toe dat anderen de draak met haar staken. Daar was ego te groot voor en haar trots teveel voor aanwezig.
'Ik Nerguï? Ja, ik heet Nar. Duidelijk? N-A-R, randdebiel!' Gefrustreerd gooide Nar haar hoofd omhoog en ademde hard door haar beide neusgaten uit. Voor haarzelf ging Nar nog eens de woorden bij langs die de merrie uit had gesproken. "Nee. Ik kan niet praten." De frustratie had door de stem heen geklonken, was er bijna afgedropen. Nar fronste haar wenkbrauwen.
"Ik niet praten." Wacht. Stop even. Pauze.
'Je kan niet praten?' zei Nar schaapachtig terwijl ze het dier dommig aankeek. Ah, ze kon niet praten.
'Oh, je héét Nerguï? vroeg Nar, die zichzelf met de minuut stommer begon te vinden. Typisch: Dat had dat mokkel geprobeerd te vertellen. Maar zo fier als Nar was, weigerde ze excuus te maken voor haar eerdere, botte gedrag. Puh.

Nergüi

Nergüi





Haar woede ontlokte de zwarte merrie nieuw machtsvertoon. Dominantie. Nar intimideerde haar met haar aanwezigheid, haar woorden, haar blik. Nergüi's boosheid zonk al gauw weer weg. Ze moest toegeven dat ze zich inderdaad behoorlijk geïntimideerd voelde door de zwarte merrie met haar kale, witte schedel. Angst ontluikte zich in haar hart, maar drong niet door in haar hoofd. Daar was ze nog altijd verdoofd. Nergüi had nog nooit meegemaakt dat ze er zo klaar mee was. Dat ze niet meer wilde dansen. Laat die merrie me maar doodtrappen, schoot door haar hoofd. In haar gedachten zag de haar verzwakte lichaam al ter aarde vallen, haar broze botten gebroken als twijgjes, haar gespikkelde vacht besmeurt met haar eigen bloed. De zwarte merrie zou triomfantelijk staan lachen. Een overwinning op een nietig schepsel. Haar geest schotelde haar nog een fragment voor van deze lugubere dagdroom, waarin Nar haar gebroken, levenloze lichaam in de rivier schopte, waar de kolkende stroom haar eindelijk mee zou voeren naar het oneindige. Want alles in een lichaam was eindig. Er was maar één zekerheid in ieders leven en dat was dat ze ooit zouden sterven. Wanneer en hoe was natuurlijk altijd maar de vraag. Je kon het zelf in de hand werken. Door goed voor jezelf te zorgen maakte je het pad langer, door jezelf in gevaar te brengen maakte je het korter. Nergüi verafschuwde zichzelf nog altijd, omdat ze het heft niet in eigen handen kon nemen. Ondanks het feit dat ze haar pad naar de dood zoveel mogelijk had ingekort, had ze niet de definitieve stap durven zetten. Daarvoor was ze nog altijd afhankelijk van anderen.

Haar sprekende ogen gleden van de rivier naar de zwarte merrie die nog altijd tegen haar stond te tieren. Het was de plotselinge stilte en het veranderen van Nars gezichtsuitdrukking wat Nergüi's aandacht trok. "Je kan niet praten?" Als Nergüi de energie ervoor had gehad, had ze waarschijnlijk met haar ogen gerold. Nu keek ze de merrie alleen uitdrukkingsloos aan, haar hoofd nog altijd laag. Het geruis van het heldere water dat langs de rotsen klotste vulde haar water en dreigde even haar gedachten weer weg te spoelen van het gesprek. Met moeite trok Nergüi haar gedachten weg uit de stroom. "Oh, je héét Nerguï?" De merrie knikte enkel. Het leek erop dat Nar eindelijk begreep wat ze had gezegd. Haar naam was Nergüi en ze kon niet praten. Goed, en nu? Dit was eigenlijk het hele gesprek al. Nar mocht haar nu wel doodtrappen. Waarom zou ze het niet doen? Blijkbaar had Nergüi haar al beledigd en voor schut gezet, tel daar het feit bij op dat ze een uitgemergelde merrie was die niet eens fatsoenlijk kon praten et voilá, het beste recept voor een zinloze daad voor eigen vertier. Nergüi keek twijfelend naar de rivier. Waarom had ze de neiging om dit gesprek voort te zetten? De zwarte merrie was bot, dominant en bijzonder onvriendelijk. Waarom wilde ze zich dan verantwoorden? Misschien omdat ze wist dat haar einde naderde. Misschien wilde ze één keer moeite doen om haar verhaal te vertellen. "Ik vroeger wel praten," begon ze twijfelend, waarna ze verbaasd stil viel. Wel? Dat woord had ze nog nooit eerder gebruikt. Wel was de tegenhanger van niet, een woord dat ze al langer beheerste. Meestal was ze euforisch als ze een nieuw woord leerde, maar nu was ze maar oppervlakkig blij. Ze worstelde met haar woorden, opende haar mond enkele keren, maar sloot hem meteen weer. Nergüi schudde haar hoofd en wende haar blik af. Meer kon ze niet zeggen. Ze had de woorden niet om haar situatie uit te leggen. Haar geschiedenis zou voor altijd een raadsel voor anderen blijven.

http://ccdragon-93.deviantart.com/

Gesponsorde inhoud



Terug naar boven  Bericht [Pagina 1 van 1]

Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum